HOOFDSTUK 37 @BRK#In de zuidelijke toren hoorde Cassandra de triomfantelijke kreten van de mannen die achter haar aan zaten. Ze begreep dat Maikeru dood was. Ze draaide snel het zware slot van de dikke deur naar de brug dicht en holde naar de wenteltrap in de zuidoostelijke hoek van de toren. De sergeant stond al op haar te wachten en gebaarde dat ze zich snel bij hem moest voegen. Achter haar hoorde ze de voetstappen van mannen die over de brug renden, gevolgd door het bonken van vuisten en wapens op de deur. Ze rende weg. De sergeant had zijn zwaard in zijn hand en liet haar voorgaan door de deur naar het trappenhuis. Vlak achter elkaar gingen ze omhoog. De trap was nergens veel meer dan twee meter breed en liep in een rechtse draai omhoog. Dat was expres zo gedaan, en in die tijd werden kastelen bijna altijd op die manier gebouwd. Op een trap die naar rechts omhoog draaide kon een rechtshandige aanvaller, die tijdens zijn beklimming iemand boven zich wilde aanvallen, alleen zijn wapen in de strijd gooien door zijn hele lijf aan een tegenaanval bloot te stellen. De verdediger boven hem hoefde daarentegen alleen zijn rechterarm en -hand te laten zien. Daardoor was de verdediger flink in het voordeel. Cassandra sloeg bij elke stap een traptree over, schoot lichtvoetig omhoog en liet de sergeant ver achter zich. Hij kwam veel onhandiger omhoog en maakte er ook flink wat lawaai bij. Nog voor hij boven was begon hij al te schreeuwen. ‘De prinses! Maak plaats voor de prinses!’ Heel even vroeg ze zich af waar hij zo zijn best voor deed. Uit zijn gehijg was wel duidelijk dat hij zijn adem hard voor andere dingen nodig had. Maar toen ging ze een bocht in de trap om en stond ze pal tegenover drie van haar manschappen die daar met de wapens in de aanslag de wacht hielden. De sergeant had dus gewaarschuwd dat de mensen die nu de trap op kwamen van de goede partij waren. Wie weet hadden ze anders de nieuwkomers zonder verdere omhaal aangevallen. De mannen glimlachten vriendelijk en gingen opzij om haar erlangs te laten. Vlak achter zich hoorde ze de sergeant moeizaam de laatste treden nemen en ze wachtte even op hem. Met een knalrood hoofd en zwaar hijgend haalde hij haar in. Ze liet hem voorgaan. ‘Doorlopen!’ gebood ze. En daarna tegen de drie wachters: ‘Jullie komen met ons mee.’ Ze wees de groep de weg verder naar boven. Door al het draaien werd ze een beetje duizelig. Voor haar ging de sergeant steeds langzamer lopen en ze schreeuwde hem toe dat hij door moest gaan. Van ver beneden hoorde ze via de wenteltrap het geluid omhoogkomen van een houten deur die aan splinters werd gebeukt. Dimon en zijn mannen hadden zich toegang tot de toren weten te verschaffen. Meteen daarop volgde, nog ver beneden ze, het stampen van voeten op de wenteltrap. Ze schatte dat ze inmiddels weer twee verdiepingen omhoog waren geklommen. Dat betekende dat ze er nog twee te gaan hadden voordat ze de relatieve veiligheid van de bovenste verdiepingen hadden bereikt. De achtste en negende verdiepingen waren het best verdedigbaar. Op de zevende verdieping werd de stenen trap onderbroken door een drie meter lang houten gedeelte. Twee van haar mannen stonden aan de bovenkant daarvan te wachten. De sergeant, de drie mannen en zij haastten zich voorbij die twee, waarna Cassandra zich omdraaide en naar de mannen gebaarde. ‘Hijs op,’ gebood ze. Het houten deel van de trap kon worden opgehaald. Er liepen touwen over katrollen aan het plafond van het trappenhuis naar de uiteinden van de houten trap. De mannen trokken uit alle macht aan die touwen, waardoor het houten deel van de trap soepel omhoogging en strak tegen het plafond werd getrokken. De mannen bonden de touwen goed vast en ineens was er een gat van drie meter in de trap ontstaan. Wie dat niet op tijd zag, viel zomaar zeven verdiepingen omlaag. ‘Daar zijn ze wel even zoet mee,’ zei ze. Ergens in de verte hoorde ze stampende voeten en schreeuwende mannen, maar het geluid kwam wel snel dichterbij. Een van de mannen die net de trap had opgehesen stond inmiddels met zijn boog in de aanslag te wachten. Ze keek even naar zijn uniform en herkende in hem een van de boogschutters van het kasteel. Ze wees naar beneden, waar de trap om een stenen muur heen uit het zicht verdween. ‘Schiet iedereen die daar de bocht om komt neer,’ zei ze. ‘Jawel, vrouwe.’ De boogschutter knikte, haalde een pijl uit zijn koker en legde die op zijn boog. Hij ging aan de zijkant staan, met zijn boog in de aanslag en zijn voeten iets bij elkaar vandaan. Hij spande zijn boog voorlopig nog niet. Als er iemand de bocht om kwam was diegene hooguit zes meter van hem vandaan. Straktrekken, mikken en schieten was over zo’n afstand secondewerk. Cassandra ging verder naar boven en kwam even later bij de deur naar de achtste verdieping. Ze duwde die open. Er zaten tien mannen in de grote ruimte en toen de deur openging draaiden ze zich er allemaal met hun hand op hun wapen naartoe. Ze zagen wie er binnenkwam en ontspanden zich. De zwaarden en dolken verdwenen weer in hun schedes. Cassandra knikte naar de groep en ze keek gauw even of Maddie zich toevallig tussen deze mannen schuilhield. Maar er was geen spoor van haar dochter te bekennen. Misschien was ze op de volgende verdieping, sprak ze zichzelf moed in, maar ze geloofde het niet echt. ‘Heeft iemand mijn dochter gezien?’ vroeg ze. ‘Prinses Madelyn?’ Maar geen van de aanwezigen kon haar iets over Maddie vertellen. Niemand had haar gesproken of gezien. Ze keek om zich heen en zag Ingrid tussen de mannen staan. De jonge hofdame schudde op de vragende blik van Cassandra haar hoofd. Cassandra voelde hoe de wanhoop zich meester van haar maakte. Had Dimon Maddie al te pakken gekregen? Dan zou hij haar natuurlijk als ruilmiddel inzetten om Cassandra’s overgave af te dwingen. Maar Maddie was veel te plichtsgetrouw om zich daarvoor te laten gebruiken, en dan kon Dimon weinig anders dan… ‘Misschien houdt ze zich ergens schuil, vrouwe,’ opperde de sergeant voordat ze haar gedachte af kon maken. ‘Het is tenslotte een groot kasteel.’ Ze dacht daar even over na. Ja, daar had hij gelijk in. Er waren tientallen verstopplaatsen in het kasteel en Maddie was hier groot geworden. Ze kende het kasteel op haar duimpje. En Cassandra wist best dat zij Maddie weliswaar nog altijd als haar kleine meisje zag, maar dat ze intussen het vierde jaar van de Jagersopleiding had bereikt. Dat betekende dat ze een zeer bekwaam krijger was. Ze kon uitstekend met wapens overweg en ze wist hoe ze zich verborgen moest houden. Sterker nog, ze was expliciet opgeleid om in dit soort situaties strategisch na te denken en de gevaren van minuut tot minuut te beoordelen. Ze was bepaald geen wispelturig meisje, zoals mensen als Dimon dachten. Maar Cassandra wilde wel proberen Maddie op de een of andere manier te waarschuwen voor het gevaar dat er in het kasteel dreigde. Ze wenkte Ingrid bij zich. ‘Ga naar boven en hijs mijn vaandel aan de vlaggenmast,’ zei ze. ‘Ondersteboven,’ voegde ze er nog snel aan toe. Ingrid keek haar vragend aan. ‘Ondersteboven? Waarom, vrouwe?’ Cassandra knikte. ‘Dat is een teken van nood. Als Maddie dat ziet zal ze begrijpen dat wij in de zuidelijke toren zitten, en ook dat er iets aan de hand is.’ Ingrid haastte zich om de opdracht uit te voeren, en Cassandra probeerde het verder even uit haar hoofd te zetten. Meer kon ze op het ogenblik niet voor haar dochter doen. Ze hoopte maar dat Maddie het vaandel zou zien. Ze rechtte haar rug en probeerde zich op andere zaken te concentreren. Ze moest de verdediging van de toren organiseren. Als die was geregeld kon ze zich weer zorgen om Maddie gaan maken. Ze keek even naar de sergeant. Hij stond klaar en wachtte op orders. Ze gebaarde naar het groepje mannen tegenover haar. ‘Is dit onze hele eenheid?’ vroeg ze. De sergeant keek de zaal rond en gaf antwoord. ‘We zijn bij elkaar met achttien man, vrouwe. Een paar man uit het poorthuis zijn erin geslaagd tijdens de eerste aanval van kapitein Dimon naar de donjon te vluchten.’ Ze knikte. Achttien man. Het was geen grote groep, maar waarschijnlijk wel voldoende om de toren tegen Dimon en zijn manschappen te verdedigen. ‘Hoeveel boogschutters?’ vroeg ze. ‘Zes, vrouwe,’ antwoordde een van de andere mannen in de zaal. Hij was zelf boogschutter en droeg het embleem van een korporaal. De sergeant had waarschijnlijk nog geen gelegenheid gehad precies vast te stellen uit welke mensen de eenheid bestond. Hij was immers nog maar net boven. Ze beet nadenkend op haar onderlip. In deze situatie zouden ze aan boogschutters waarschijnlijk niet veel hebben. Ze had liever wat meer krijgers gehad. Die zouden in een gevecht op de trap beter van pas komen. Maar de boogschutters moesten nu maar gewoon als krijgers meedraaien. Ze waren tenslotte allemaal opgeleid om te vechten. ‘Eens even zien wat we aan voorraad hebben,’ zei ze, en de sergeant ging haar voor naar de voorraadkasten en de materiaalruimte die hier voor noodgevallen waren ingericht. De achtste verdieping was vooral een opslagplaats en wapenkamer. In rekken langs de muren stonden tientallen pieken en bijlen – de meest effectieve wapens om een aanval van beneden mee af te slaan. Er hingen ook tientallen schilden en eenzelfde aantal helmen en maliënkolders. Ze telde vijftien bogen en drie grote houten tonnen vol met pijlen. Bij elkaar moesten dat er wel tegen de vijfhonderd zijn. Iets verderop vond ze de voedselvoorraad: gedroogd en gezouten vlees, vaten vol ingelegde groenten en een twee meter hoge zak graan. Ze knikte tevreden. Dit was meer dan voldoende om een beleg mee te doorstaan. Voorbij de voedselvoorraad was een slaapzaal voor de manschappen. Er stonden rijen stapelbedden, tafels en stoelen voor degenen die geen dienst hadden, gelegenheid voor de mannen om zich te wassen en verschillende latrines – ingebouwd in de muur, enigszins overhangend, met aan de onderkant een gapend gat tot aan de slotgracht. Ze trok haar neus op. Echt fris was het niet, maar effectief was deze oplossing natuurlijk wel. Voedsel en wapens waren er dus in overvloed, begreep ze. Maar er was iets nog belangrijkers: water. ‘En het water?’ vroeg ze, en voordat de sergeant kon antwoorden was ze al op weg naar de bovenste verdieping. Van de achtste naar de negende verdieping was er weer een centrale trap. Deze was van hout – het was eigenlijk meer een ladder dan een trap – en kon omhoog worden getrokken als de aanvallers onverhoeds tot de achtste verdieping wisten te komen. Cassandra en de sergeant gingen nu naar de negende etage. Dit was de verdieping voor de commandant, de plek waar bestuurd werd. Langs de muur waren zes slaaphoeken ingericht. En tegen een andere muur stond een goed gevuld wapenrek. In het midden was er een grote tafel, waarvandaan leiding aan de strijd kon worden gegeven, maar waaraan men ook kon eten en ontspannen. In een hoek was een keuken ingericht, met een goed ventilatiesysteem om te voorkomen dat de hele zaal blauw van de rook kwam te staan als de oven of de grill gebruikt werd. Cassandra kende de inrichting van de zuidelijke toren goed en was er in de loop der jaren verschillende keren geweest. Ze wist dat de voorraden voortdurend werden aangevuld en dat spullen die niet vers meer waren altijd werden vervangen. Ze gebaarde naar een houten ladder rechts van haar. ‘Het water is deze kant op,’ zei ze, en ze beklom de ladder, tot ze bovenaan bij een luik kwam. Dat duwde ze open. Op de toren stonden twee met tegels bedekte spitsen. In die kegelvormige ruimtes bevonden zich twee grote stenen waterreservoirs, met langs de zijkant trappetjes. Ze beklom een van de trappen en tilde de houten klep in het deksel van het reservoir open. Het water in het reservoir stond tot enkele centimeters onder de rand. Ze maakte een kommetje van haar twee handen, liet daar wat water in lopen, rook er even aan en dronk er wat van. Het smaakte zoals schoon drinkwater hoorde te smaken. Het andere reservoir was identiek en zat eveneens zo goed als vol met drinkwater. De reservoirs werden gevuld met het regenwater dat op het dak viel. Ze werden regelmatig geleegd en schoongemaakt, zodat het water erin altijd fris was. Het regende in dit deel van het land tamelijk veel, dus was er nooit gebrek aan aanvoer. Ze klom weer naar beneden en ging de sergeant weer voor naar beneden. Daar stond een soldaat op haar te wachten. Hij had nieuws. Ze keek hem vragend aan. ‘Vertel het maar,’ zei ze. ‘Het is de koning, vrouwe,’ antwoordde hij, en nu herkende ze hem als een van de mannen die ze naar haar vader had gestuurd. Hij wees naar een van de kamers aan de zijkant van de toren. ‘We hebben hem daar neergelegd, vrouwe. Er staat een goed bed en het is er voor hem prettig licht en luchtig. Hij ligt daar goed.’ ‘Dank u,’ zei ze, en ze liep in de richting van de deur die hij had aangewezen. ‘Ik ga wel even bij hem langs.’ Ze zag de aarzelende blik van de boodschapper en stopte. ‘Is er een probleem?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee hoor, helemaal niet. Hij ligt daar goed. Maar hij slaapt op het ogenblik, dus is het misschien beter om hem niet te wekken.’ Ze legde dankbaar een hand op de onderarm van de man. De mensen die onder haar vader dienden legden stuk voor stuk alle mogelijke liefde en toewijding aan de dag. En dat kon je van Dimon niet zeggen, dacht ze er boos achteraan. ‘Bedankt,’ zei ze. ‘Hou hem maar goed in de gaten en laat me maar weten als hij weer wakker is.’ Hij tikte bij wijze van saluut even tegen zijn voorhoofd. ‘Dat zal ik zeker doen, vrouwe.’ Hij deed een stap achteruit en koos positie naast de deur van Duncans kamer. Cassandra draaide zich weer naar de sergeant. ‘Hoe heet jij eigenlijk?’ zei ze. ‘Ik kan moeilijk de hele tijd “sergeant” tegen je blijven zeggen, hè?’ De sergeant grijnsde. ‘Het maakt mij niet uit, vrouwe. Maar mijn ouders hebben me Merlon genoemd. Dus daar luister ik meestal wel naar.’ ‘Dan zeg ik voortaan Merlon,’ zei ze. Ze ging op een van de zware houten stoelen om de tafel heen zitten en gebaarde dat hij hetzelfde moest doen. Hij deed wat hem werd opgedragen, maar het was duidelijk dat hij deze nabijheid van de prinses-regent niet gewend was. ‘Goed Merlon, we zitten hier veilig. Er is genoeg te eten, genoeg water, en er zijn meer dan voldoende wapens. We kunnen het hier zo ongeveer eeuwig uithouden. In elk geval tot mijn man en de Jagercommandant terugkeren.’ ‘Jawel, vrouwe. Wanneer denkt u dat dat zal zijn?’ vroeg hij. Ze aarzelde even. Voor de moraal van de manschappen was het beter als ze niet liet merken dat ze dat helemaal niet wist. ‘Hooguit een week,’ antwoordde ze. Ze dwong zichzelf om overtuigd te klinken. Ze wilde geen al te grote verwachtingen oproepen, en nu Merlon wist dat ze het hier wel een tijdje konden uithouden zou hij een weekje wachten vast niet zo erg vinden. Een verdere discussie over de verblijfplaats van Arnaut bleef haar bespaard, want een van de boogschutters kwam de trap op. Hij zocht haar, dat was duidelijk. ‘Hier zit ik,’ zei ze toen ze zag dat hij nieuwsgierig zoekend om zich heen keek. Hij draaide zich om en liep naar haar toe. ‘Het gaat om kapitein Dimon, vrouwe,’ zei hij. ‘Hij staat onder aan het gat in de trap en hij vraagt om een gesprek.’